Medische moeilijke woordenlijst zwangerschap en bevalling

Een zwangerschap brengt veel medische termen met zich mee.
Hieronder vind je een overzicht van veelgebruikte en soms moeilijke woorden rondom zwangerschap, onderzoeken, bevalling en de kraamperiode.
Klik op een letter hieronder om direct naar de betreffende woorden te gaan.
A
Abruptio placentae
Voortijdige loslating van de placenta van de baarmoederwand.
Amnion
Het binnenste vruchtvlies dat de baby en het vruchtwater omgeeft.
Amniocentese
Een vruchtwaterpunctie waarbij vruchtwater wordt onderzocht, bijvoorbeeld op chromosoomafwijkingen.
Amniotomie
Het kunstmatig breken van de vliezen.
Amenorroe
Het uitblijven van de menstruatie. Dit kan een eerste teken van zwangerschap zijn.
Apgarscore
Een snelle beoordeling van de toestand van een pasgeboren baby kort na de geboorte.
Asynclitisme
De situatie waarbij het hoofd van de baby tijdens de indaling enigszins scheef in het bekken staat.
À terme
Een zwangerschap die rond de normale uitgerekende periode is.
B
Baarmoeder (uterus)
Het orgaan waarin de baby tijdens de zwangerschap groeit.
Baarmoederhals (cervix)
Het onderste, smallere gedeelte van de baarmoeder dat naar de vagina leidt.
Baarmoedermond
De opening van de baarmoeder naar de vagina. Tijdens de bevalling gaat deze steeds verder open.
Bekkeninstabiliteit
Een veelgebruikte term voor bekken- en bekkenbodemklachten tijdens of na de zwangerschap.
Bevruchting
Het samensmelten van een zaadcel en een eicel.
Blastocyst
Een vroeg stadium van de ontwikkeling van de bevruchte eicel, kort voordat deze zich innestelt.
Braxton-Hickscontracties
Oefenweeën: samentrekkingen van de baarmoeder die meestal niet tot de bevalling leiden.
C
Caput succedaneum
Een tijdelijke zwelling van de hoofdhuid van de baby die kan ontstaan door druk tijdens de bevalling.
Cardiotocografie (CTG)
Onderzoek waarbij de hartslag van de baby en de samentrekkingen van de baarmoeder worden geregistreerd.
Cervix
De medische naam voor de baarmoederhals.
Cervixslijm
Slijm dat door de baarmoederhals wordt geproduceerd.
Cervixrijping
Het zachter en soepeler worden van de baarmoederhals als voorbereiding op de bevalling.
Cervixverstrijking
Het dunner en korter worden van de baarmoederhals tijdens de voorbereiding op de bevalling.
Chorion
Het buitenste vruchtvlies rondom het embryo of de foetus. Het chorion speelt een belangrijke rol bij de vorming van de placenta.
Chorionvillusbipsie (CVS)
Onderzoek waarbij een klein stukje placentaweefsel wordt afgenomen, bijvoorbeeld voor chromosoomonderzoek. Dit wordt ook wel een vlokkentest genoemd.
Colostrum
De eerste moedermelk die na de bevalling wordt geproduceerd. Colostrum is meestal geelachtig en bevat relatief veel antistoffen en andere beschermende stoffen.
Conceptie
Het ontstaan van een zwangerschap door de bevruchting van een eicel.
Congenitale afwijking
Een lichamelijke of functionele afwijking die al bij de geboorte aanwezig is.
Contractie
Een samentrekking van een spier. Tijdens de bevalling gaat het vooral om samentrekkingen van de baarmoeder.
D
Diastase recti
Het wijken van de rechte buikspieren. Dit kan tijdens of na een zwangerschap voorkomen.
Doppleronderzoek
Een onderzoek waarmee de bloedstroom in bloedvaten kan worden beoordeeld, bijvoorbeeld in de navelstreng.
Dysmatuur
Een term voor een baby die tekenen vertoont van onvoldoende groei of ontwikkeling in verhouding tot de zwangerschapsduur.
Dysurie
Pijnlijk of branderig gevoel tijdens het plassen.
Dyspneu
De medische term voor kortademigheid of benauwdheid.
E
Echoscopie
Onderzoek waarbij met geluidsgolven beelden worden gemaakt van de baarmoeder en de baby.
Eclampsie
Een ernstige zwangerschapscomplicatie waarbij een zwangere met pre-eclampsie een insult krijgt.
Embryo
De baby in de vroege ontwikkelingsfase, vanaf de bevruchting tot ongeveer het einde van de achtste week.
Embryogenese
De ontwikkeling van het embryo.
Endometritis
Een ontsteking van het baarmoederslijmvlies.
Expulsiefase
Het gedeelte van de bevalling waarin de baby door het geboortekanaal wordt geboren.
F
Foetus
De ongeboren baby vanaf ongeveer de negende zwangerschapsweek tot aan de geboorte.
Foetale hartfrequentie
Het aantal hartslagen per minuut van de ongeboren baby.
Foetale groei
De groei en ontwikkeling van de ongeboren baby tijdens de zwangerschap.
Foetogenese
De verdere groei en ontwikkeling van de foetus.
Fundus
De bovenkant van de baarmoeder.
Fundushoogte
De afstand tussen het schaambeen en de bovenkant van de baarmoeder. Deze meting kan worden gebruikt om de groei van de baarmoeder te beoordelen.
G
Geboortegewicht
Het gewicht van de baby direct na de geboorte.
Gestationele diabetes
Diabetes die tijdens de zwangerschap ontstaat. Dit wordt ook zwangerschapsdiabetes genoemd.
Gravida
Een medische aanduiding voor het aantal keren dat iemand zwanger is geweest.
Graviditeit
Het aantal zwangerschappen dat iemand heeft gehad, ongeacht de uitkomst.
H
HELLP-syndroom
Een ernstige zwangerschapscomplicatie met onder andere afbraak van rode bloedcellen, verhoogde leverenzymen en een laag aantal bloedplaatjes.
Hemoglobine (Hb)
Een eiwit in rode bloedcellen dat zuurstof door het lichaam vervoert.
Hemolyse
De afbraak van rode bloedcellen.
Hyperemesis gravidarum
Ernstige zwangerschapsmisselijkheid en veelvuldig braken, waardoor bijvoorbeeld uitdroging en gewichtsverlies kunnen ontstaan.
Hypertensie
De medische term voor hoge bloeddruk.
Hypoglykemie
Een te lage bloedsuikerspiegel.
Hypotensie
De medische term voor lage bloeddruk.
Hypothermie
Een te lage lichaamstemperatuur.
I
Implantatie
Het innestelen van de bevruchte eicel in het baarmoederslijmvlies.
Indaling
Het zakken van de baby richting het bekken als voorbereiding op de geboorte.
Inleiding
Het medisch op gang brengen van een bevalling.
Insulineresistentie
Een situatie waarbij lichaamscellen minder goed reageren op het hormoon insuline.
Intra-uteriene groeirestrictie (IUGR)
Een situatie waarbij de baby tijdens de zwangerschap minder groeit dan verwacht.
L
Lactatie
Het produceren van moedermelk.
Lactogenese
Het proces waarbij de melkproductie in de borsten op gang komt.
Lactatiestase
Een situatie waarbij moedermelk onvoldoende wordt afgevoerd en zich ophoopt in de borst.
LGA (Large for Gestational Age)
Een baby die groter of zwaarder is dan verwacht voor de zwangerschapsduur.
Linea nigra
Een donkere verticale lijn die tijdens de zwangerschap over de buik kan ontstaan.
Lochia
Bloed- en slijmverlies uit de vagina na de bevalling.
Lochia alba
De latere fase van het kraamvloed, waarbij het verlies meestal licht of geelwit van kleur is.
Lochia rubra
De eerste fase van het kraamvloed, waarbij het bloedverlies voornamelijk rood is.
Lochia serosa
De fase na de lochia rubra, waarbij het bloedverlies meestal lichter en roze of bruinachtig wordt.
M
Macrosomie
Een ongewoon hoog geboortegewicht of een relatief grote baby.
Manuele placentaverwijdering
Het met de hand verwijderen van de placenta wanneer deze na de geboorte niet vanzelf loskomt.
Meconium
De eerste ontlasting van een baby. Deze is meestal donker, groenachtig en kleverig.
Meconiumaspiratie
Wanneer een baby meconiumhoudend vruchtwater in de luchtwegen krijgt.
Meconiumhoudend vruchtwater
Vruchtwater waarin meconium, de eerste ontlasting van de baby, aanwezig is.
Mastitis
Een ontsteking van het borstweefsel.
Moulage
Een tijdelijke vervorming van de schedel van de baby tijdens de bevalling.
Multigravida
Iemand die meerdere keren zwanger is geweest.
Multipara
Iemand die meerdere keren is bevallen.
N
Nageboorte
De placenta, vliezen en het resterende gedeelte van de navelstreng die na de geboorte van de baby worden geboren.
Navelstreng
De verbinding tussen de baby en de placenta. Via de navelstreng worden zuurstof en voedingsstoffen aangevoerd.
Navelstrenginsertie
De plaats waar de navelstreng aan de placenta vastzit.
Neonaat
Een pasgeboren baby, meestal gedurende de eerste 28 levensdagen.
Neonatale icterus
Geelzucht bij een pasgeboren baby.
Neonatologie
Het medische specialisme dat zich bezighoudt met pasgeboren baby’s, vooral zieke of te vroeg geboren baby’s.
Nidatie
Een andere medische term voor innesteling.
NIPT
Niet-invasieve prenatale test. Een bloedonderzoek waarmee de kans op bepaalde chromosoomafwijkingen wordt onderzocht.
Nulligravida
Iemand die nooit zwanger is geweest.
Nullipara
Iemand die nog nooit is bevallen.
O
Obstipatie
Verstopping van de darmen.
Oedeem
Vochtophoping in het lichaam, bijvoorbeeld in de voeten, enkels of handen.
Oligohydramnion
Een medische term voor te weinig vruchtwater.
Ontsluiting
Het opengaan van de baarmoedermond tijdens de bevalling.
Ontsluitingsfase
Het gedeelte van de bevalling waarin de baarmoedermond steeds verder opengaat.
OGTT
Orale glucosetolerantietest. Een onderzoek waarmee wordt gekeken hoe het lichaam glucose verwerkt.
P
Para
Een medische aanduiding voor het aantal bevallingen dat iemand heeft doorgemaakt.
Pariteit
Het aantal zwangerschappen dat een bepaald stadium heeft bereikt waarin een bevalling mogelijk is.
Partogram
Een schema waarin het verloop van een bevalling wordt bijgehouden.
Partus
De medische term voor bevalling of geboorte.
Partus prematurus
Een vroegtijdige bevalling.
Partus provocatus
Een kunstmatig opgewekte bevalling.
Perineum
Het gebied tussen de vagina en de anus.
Perineumruptuur
Een scheur in het perineum die tijdens de bevalling kan ontstaan.
Placenta
Een tijdelijk orgaan dat tijdens de zwangerschap ontstaat en zorgt voor de uitwisseling van zuurstof, voedingsstoffen en afvalstoffen tussen moeder en baby.
Placenta accreta
Een situatie waarbij de placenta abnormaal diep aan de baarmoederwand vastzit.
Placenta increta
Een situatie waarbij de placenta dieper in de spierlaag van de baarmoeder groeit.
Placenta percreta
Een ernstige vorm waarbij de placenta door de volledige baarmoederwand heen kan groeien.
Placenta-insufficiëntie
Een situatie waarbij de placenta onvoldoende functioneert om de baby optimaal van zuurstof en voedingsstoffen te voorzien.
Placenta praevia
Een placenta die geheel of gedeeltelijk voor de uitgang van de baarmoeder ligt.
Pollakisurie
Vaak kleine hoeveelheden urine moeten plassen.
Postnataal
Wat plaatsvindt na de geboorte.
Postpartum
De periode na de bevalling.
Postpartumhemorragie (PPH)
Ernstig bloedverlies na de bevalling.
Post-terme
Een zwangerschap die langer duurt dan de normale zwangerschapsduur.
Pre-eclampsie
Een zwangerschapscomplicatie waarbij hoge bloeddruk ontstaat in combinatie met tekenen van betrokkenheid van één of meer organen.
Prematuur
Een baby die vóór 37 weken zwangerschap wordt geboren.
Prenataal
Wat vóór de geboorte plaatsvindt.
Prenatale screening
Onderzoeken tijdens de zwangerschap waarmee wordt gekeken naar de kans op bepaalde aandoeningen of afwijkingen bij de baby.
Prostaglandinen
Stoffen die onder andere een rol spelen bij het rijpen van de baarmoederhals en het op gang komen van de bevalling.
Pruritus
De medische term voor jeuk.
Proteïnurie
Een verhoogde hoeveelheid eiwit in de urine. Dit kan onder andere voorkomen bij pre-eclampsie.
Puerperium
De kraamperiode waarin het lichaam zich herstelt van de zwangerschap en bevalling.
Pyrosis
De medische term voor brandend maagzuur.
R
Respiratoire distress
Ernstige ademhalingsproblemen.
Retentio placentae
Het niet of niet volledig loskomen van de placenta na de geboorte.
Rhesusimmunisatie
Het ontstaan van antistoffen tegen rode bloedcellen met een bepaalde rhesusfactor.
RhD-negatief
Een bloedgroepkenmerk waarbij het RhD-antigeen op de rode bloedcellen ontbreekt.
S
Sectio caesarea
De medische term voor een keizersnede.
SEO
Structureel echoscopisch onderzoek, ook wel de 20-wekenecho genoemd.
SGA (Small for Gestational Age)
Een baby die kleiner is dan verwacht voor de zwangerschapsduur.
Stuitligging
Een ligging waarbij de billen of voeten van de baby naar beneden liggen in plaats van het hoofd.
Symfyseproblematiek
Klachten en pijn rond het schaambeen en het bekken.
Syncope
Een kortdurend bewustzijnsverlies, meestal veroorzaakt door tijdelijk onvoldoende bloedtoevoer naar de hersenen.
Striae gravidarum
Zwangerschapsstriemen die kunnen ontstaan doordat de huid tijdens de zwangerschap uitrekt.
T
Trombocytopenie
Een tekort aan bloedplaatjes in het bloed.
Trombose
De vorming van een bloedstolsel in een bloedvat.
Trisomie
Een situatie waarbij een bepaald chromosoom drie keer aanwezig is in plaats van twee keer.
Trimester
Een van de drie perioden waarin de zwangerschap wordt verdeeld.
U
Uterus
De medische of Latijnse naam voor de baarmoeder.
Uterusatonie
Een situatie waarbij de baarmoeder na de geboorte onvoldoende samentrekt. Hierdoor kan veel bloedverlies ontstaan.
Uterusinvolutie
Het proces waarbij de baarmoeder na de bevalling terugkeert naar ongeveer de grootte van vóór de zwangerschap.
Urineweginfectie
Een infectie van de urinewegen, bijvoorbeeld van de blaas.
Uitdrijvingsfase
Het gedeelte van de bevalling waarin de baby wordt geboren.
V
Vacuümextractie
Een manier om tijdens een bevalling te helpen bij de geboorte van de baby met behulp van een vacuümpomp.
Varices
De medische term voor spataderen.
Vasa praevia
Bloedvaten van de baby die in de buurt van of vóór de baarmoedermond lopen.
Velamenteuze insertie
Een situatie waarbij de navelstreng aan de vruchtvliezen vastzit in plaats van rechtstreeks aan het placentaweefsel.
Verstrijken
Het korter en dunner worden van de baarmoederhals als voorbereiding op de bevalling.
Vlokkentest
Een onderzoek waarbij een klein stukje placentaweefsel wordt onderzocht, bijvoorbeeld op chromosoomafwijkingen.
Vruchtwater
De vloeistof rondom de baby in de baarmoeder. Het beschermt de baby en geeft ruimte om te bewegen.
Vruchtwaterpunctie
Een onderzoek waarbij met een naald een kleine hoeveelheid vruchtwater wordt afgenomen.
Vruchtzak
De met vruchtwater gevulde ruimte waarin de baby zich bevindt.
Vruchtvliezen
De vliezen die de baby en het vruchtwater omgeven.
Z
Zygote
De eerste cel die ontstaat na de versmelting van een eicel en een zaadcel.
Zwangerschapsdiabetes
Diabetes die tijdens de zwangerschap ontstaat.
Zwangerschapshypertensie
Hoge bloeddruk die tijdens de zwangerschap ontstaat.
Zwangerschapsduur
Het aantal weken dat iemand zwanger is.
Zwangerschapsmisselijkheid
Misselijkheid en eventueel braken tijdens de zwangerschap.
Zwangerschapsstriemen
Strepen op de huid die kunnen ontstaan doordat de huid tijdens de zwangerschap uitrekt. De medische term is striae gravidarum.
Veelgebruikte medische afkortingen
| Afkorting | Betekenis |
|---|---|
| AD | À terme datum / uitgerekende datum |
| CTG | Cardiotocografie |
| CVS | Chorionvillusbipsie / vlokkentest |
| EUG | Extra-uteriene graviditeit / buitenbaarmoederlijke zwangerschap |
| GBS | Groep-B-streptokok |
| Hb | Hemoglobine |
| HELLP | Hemolyse, Elevated Liver enzymes, Low Platelets |
| IUGR | Intra-uteriene groeirestrictie |
| LGA | Large for Gestational Age |
| NIPT | Niet-invasieve prenatale test |
| OGTT | Orale glucosetolerantietest |
| PPH | Postpartumhemorragie |
| RhD | Rhesus-D |
| SGA | Small for Gestational Age |
| SEO | Structureel echoscopisch onderzoek |
| VG | Zwangerschapsduur |
Let op: Deze woordenlijst is bedoeld als algemene uitleg van medische termen en is geen vervanging voor persoonlijk medisch advies. De betekenis of toepassing van een medische term kan afhankelijk zijn van de situatie. Bij vragen of klachten tijdens de zwangerschap is het verstandig contact op te nemen met een verloskundige, huisarts, gynaecoloog of andere zorgverlener.

